Bestrijding van ondermijnende criminaliteit

Op 16 november jl. lichtte minister Grapperhaus door middel van een brief toe op welke manier het kabinet de komende jaren zogeheten “ondermijnende criminaliteit” wil gaan aanpakken. Met “ondermijning” wordt vooral het effect bedoeld dat deze criminaliteit op de samenleving kan hebben: de vervlechting van boven- en onderwereld. Plegers van georganiseerde criminaliteit maken, net als gewone burgers, gebruik van legale diensten en structuren. Men kan hierbij bijvoorbeeld denken aan transportvoorzieningen of de vastgoedsector, maar ook aan financiële en juridische dienstverlening.  Op deze manier kunnen personen die werkzaam zijn in compleet legale praktijken (onbewust) worden ingezet voor ondermijnende criminaliteit. Zij zijn dan zogeheten facilitators: door hun legale werk faciliteren zij de misdaad. De minister wil harder optreden tegen dit fenomeen en de ondermijnende criminaliteit in het algemeen. Hiertoe zijn er enkele stappen ondernomen.

Enkele voorbeelden:

  • In het regeerakkoord is een ondermijningsfonds in het leven geroepen van 100 miljoen euro. Daarvan gaat naar verwachting 85 miljoen naar de regio’s en 15 miljoen naar landelijke organisaties. Structureel komen er extra investeringen van 5 miljoen in 2018, oplopend naar 10 miljoen vanaf 2019.
  • Er is een wijziging van de Opiumwet voorgesteld, op basis waarvan het voor burgemeesters mogelijk wordt om woningen of andere panden te sluiten, indien het pand wordt gebruikt het produceren of verhandelen van drugs – ook als er niet daadwerkelijk drugs aanwezig zijn. Nu kan dit nog niet. Het wetsvoorstel is aangenomen door de Tweede Kamer en ligt nu bij de Eerste Kamer.
  • De minister is van plan om de wet Bibob aan te passen. Deze wet is belangrijk bij de aanpak van ondermijning, omdat ermee kan worden voorkomen dat de overheid onbewust criminele activiteiten faciliteert. Het voorstel bevat onder andere een uitbreiding van de eigen onderzoeksmogelijkheden van bestuursorganen en een uitbreiding van het toepassingsbereik van de wet.
  • Op initiatief van een viertal Kamerleden wordt gewerkt aan het voorstel Wet bestuurlijk verbod ondermijnende organisaties. Op grond hiervan kunnen criminele organisaties (zoals motorbendes) verboden en ontbonden worden als dat noodzakelijk is voor de openbare orde (art. 8 Grondwet).
  • Er was vorig jaar sprake van het invoeren van een “stoplichtmodel”, waarin een samenwerking tussen de politie enerzijds en autoverhuurbedrijven en makelaars anderzijds werd beoogd. Op die manier zou snel informatie kunnen worden doorgegeven als het vermoeden bestond dat een auto of pand werd gebruikt voor criminaliteit. Dit model kan niet als zodanig worden uitgevoerd in verband met het gegevensbeschermingsrecht, maar de minister doet onderzoek naar de precieze problematiek en zal aan de hand daarvan kijken of er een goed alternatief denkbaar is.
  • Het wetsvoorstel VOG Politiegegevens gaat over de verstrekking van een VOG voor bepaalde functies binnen het veiligheidsdomein die een hoge mate van integriteit vereisen (bijvoorbeeld BOA’s of functies binnen het OM). Het doel van het wetsvoorstel is dat een VOG in die gevallen niet alleen kan worden geweigerd op basis van justitiële documentatie (het “strafblad”), maar ook op basis van alleen politiegegevens.

Al met al kan worden gesteld dat het kabinet hoge prioriteit geeft aan de aanpak van ondermijning. We gaan de komende jaren zien welke van de wetsvoorstellen uiteindelijk in onze wet worden opgenomen, en of het ondermijningsprobleem op deze manier daadwerkelijk wordt teruggedrongen. Voor de personen die werkzaam zijn in mogelijk ´faciliterende´ beroepsgroepen geldt dat zij kunnen bijdragen aan de plannen van het kabinet door alert te blijven op ongebruikelijke transacties (art. 16 Wwft) en andere opvallende zaken die kunnen wijzen op criminele activiteit.