Wwft VARIA 2018 – Q3

Met betrekking tot de Wwft wijzen wij u graag kort op het navolgende ontwikkelingen:

  • Stand van zaken wetgevingsproces

Op 25 juli 2018 is eindelijk de vierde anti-witwasrichtlijn in Nederland geïmplementeerd. Dit had op 26 juni 2017 moeten zijn doorgevoerd. Is dan de achterstand dan nu ingehaald?  Neen, want het wetsvoorstel ter implementatie van het UBO-register moet nog worden behandeld in de Tweede Kamer, terwijl dit toch, zeker in eerste instantie, werd gepresenteerd als een tegemoetkoming naar instelling om het cliëntenonderzoek wellicht niet leuker maar wel wat makkelijker te maken. Bovendien kan Nederland zo weer aan de slag, want de vijfde anti-witwasrichtlijn moet eind 2019 zijn geïmplementeerd.

  • Inhoud wijzigingen

De nieuwe Wwft en het Uitvoeringsbesluit Wwft 2018 brengen op hoofdlijnen onder meer het volgende met zich mee:

  • Elke instelling moet een risicobeleid vast te stellen waarin in opgenomen hoe de risico’s voor witwassen en financieren van terrorisme worden beheerst;
  • Voor elke cliënt moet een risicobeoordeling worden gemaakt en worden bepaald hoe dit risico wordt beheerst/gemonitord;
  • Instellingen (althans waarschijnlijk grote en middelgrote instellingen) zullen een afdeling of persoon met compliance en audit functie moeten instellen. Het is nog onduidelijk voor welke instellingen dit in welke omvang zal gaan gelden;
  • Uitbreiding van het PEP-begrip: ook in Nederland wonende politiek prominente personen met een Nederlandse nationaliteit worden voor instellingen in Nederland als PEP aangemerkt; zie ook art. 2 Uitvoeringsbesluit Wwft 2018;
  • Nieuwe definitie van het UBO-begrip: de oude definitie is enkel nog indicatief, zie ook art. 3 Uitvoeringsbesluit Wwft 2018;
  • Er zal voor een rechtspersoon of andere entiteit altijd een UBO moeten worden vastgesteld; is deze er niet, dan moet een (pseudo-)UBO worden aangewezen zoals het hoger leidinggevend personeel;
  • Wijziging van de objectieve indicator voor het melden van ongebruikelijke transacties met contante bedragen aan of door tussenkomst van een instelling;
  • Wijziging van de objectieve indicator met betrekking tot transacties van of ten behoeve van een (rechts)persoon woonachtig of gevestigd in een hoog risico land, aangewezen door de Europese commissie;
  • Een zwaarder sanctiepallet voor toezichthouders, zoals hogere boetes en publicatiemogelijkheden, waardoor ook gebruik kan worden gemaakt van het principe van ‘ naming & shaming’ .

Tip: let goed op de bijlagen I, II en III bij de vierde anti-witwasrichtlijn: deze factoren dienen te worden betrokken bij de risicobeoordeling en de vraag welk cliëntenonderzoek is aangewezen.

  • Handleidingen (‘Guidance’) overheid en nog tijd voor instellingen

De toezichthouders zijn momenteel doende naar aanleiding van de Wwft 2018 hun leidraden bij te stellen. Begin september had enkel de AFM een herziene leidraad gepubliceerd.  Van verschillende kanten komen er signalen dat dit jaar niet op grond de nieuwe Wwft wordt gehandhaafd, mits instellingen zich inspannen om zich aan te passen aan de nieuwe verplichtingen.

  • CBb oordeelt: geen sprake van ongebruikelijke transacties bij halal bankieren

Op 29 mei 2018 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven (Cbb) geoordeeld dat het standpunt van het Bureau Financieel Toezicht (BFT) dat de instellingen een melding ongebruikelijke transacties had moeten verrichten omdat er sprake zou zijn van voorbeelden E12 (leningsovereenkomsten zonder zekerheden of tegen afwijkende marktvoorwaarden zonder aanwijsbare reden) en E13 (het ontbreken van schriftelijk vastgelegde leningsovereenkomsten) in dat geval onjuist was. Het CBb is van oordeel “dat het argument van het BFT dat in Nederland bij een onderhandse lening nooit een te lage rente of geen rente kan worden gehouden, niet steekhoudend is. Dat de Belastingdienst uit een fiscaal oogpunt bepaalde consequenties kan verbinden aan een renteloze onderhandse lening, doet er niet aan af dat het, onder andere in familiekring, geenszins ongebruikelijk is om een lening aan te gaan met de afspraak dat hiervoor geen rente is verschuldigd. Ook de omstandigheid dat voor deze leningen kennelijk geen zekerheden waren bedongen, acht het College, gelet op de hoogte van de bedragen, niet dusdanig bijzonder dat daarmee het ongebruikelijke karakter van de leningen zou zijn aangetoond.”