Wwft en witwassen varia Q4 2019

(Bekijk hier onze factsheet met een overzicht van de wijzigingen in de Wwft door dit wetsvoorstel)

Inhoudsopgave

1. Openbare consultatie wetsvoorstel plan van aanpak witwassen
2. Pilot Serious Crime Task Force
3. OESO Handboek witwasindicatoren voor Belastingdienstmedewerkers
4. Tweede Kamer stemt in met wetsvoorstellen implementatie vijfde anti-witwasrichtlijn
5. Melden op eigen risico en naam

1. Openbare consultatie wetsvoorstel plan van aanpak witwassen

Op 2 december 2019 is de openbare consultatie van het wetsvoorstel plan van aanpak witwassen gestart. Het wetsvoorstel betreft de uitwerking van het eind juni 2019 aangekondigde plan van aanpak witwassen.

Met het wetsvoorstel beogen de minister van Financiën en de minister van Justitie en Veiligheid de barrières voor witwassen te verhogen, de effectiviteit van de poortwachtersfunctie en het toezicht op de naleving te vergroten en de opsporing en vervolging voor dit feit te versterken. Concreet stellen de ministers drie maatregelen voor:

  • Een verbod voor beroeps- of bedrijfsmatige handelaren om contante transacties boven EUR 3.000,- te verrichten;
  • De verplichting voor Wwft-instellingen om in het kader van verscherpt cliëntenonderzoek navraag te doen bij vorige dienstverleners van de cliënt;
  • De mogelijkheid om transactiemonitoring uit te besteden aan derde partijen en het delen van transacties met andere Wwft-instellingen.

Deze maatregelen moeten worden ingevoerd door een wijziging van de Wet ter voorkoming van witwassen en het financieren van terrorisme (Wwft) en de Wet op de economische delicten.

Verbod op contante betalingen van EUR 3.000,- of meer

Met het instellen van het verbod tot het verrichten van contante transacties van EUR 3.000,- of meer voor beroeps- en bedrijfsmatige handelaren, wordt het witwassen van crimineel geld in de visie van de ministers moeilijker. Het verbod sluit aan bij de regeling in België, waar hetzelfde verbod al geldt. Om het betalingsverkeer niet onnodig te beperken achten de ministers het drempelbedrag van EUR 3.000,- passend. In het wetsvoorstel motiveren de ministers echter niet waarom het gekozen drempelbedrag het betalingsverkeer niet onnodig zou (kunnen) beperken.

Volgens de ministers moet het verbod op contante geldtransacties leiden tot een betere traceerbaarheid. Zij veronderstellen dat het verbod tot gevolg zal hebben dat criminelen hun transacties boven EUR 3.000,- giraal moeten verrichten. Dit veronderstelde causale verband is echter niet evident, aangezien andere manieren denkbaar zijn om transacties te verrichten.

Het verbod op contante geldbedragen vanaf EUR 3.000,- heeft tot gevolg dat de thans geldende verplichtingen tot het verrichten van cliëntenonderzoek en het melden van ongebruikelijke transacties voor beroeps- en bedrijfsmatige handelen komt te vervallen, zo stellen de ministers voor.

Niet naleving van het verbod is een strafbaar feit op grond van de Wet op de economische delicten.

Vergroten samenwerking en informatie-uitwisseling Wwft-instellingen

De maatregelen ter bevordering van de informatie-uitwisseling tussen Wwft-instellingen  moeten er aan bijdragen dat cliënten die zijn geweigerd bij de een instelling, vervolgens opnieuw dienstverlening kunnen aanvragen bij een andere instelling. Om in dergelijke gevallen te voorkomen dat diensten worden verleend aan een cliënt waarvan eerder is overwogen dat daaraan onbeheersbare integriteitsrisico’s zijn verbonden, is het volgens de ministers noodzakelijk dat informatie over deze integriteitsrisico’s tussen instellingen kunnen worden uitgewisseld.

Op dit moment is er geen wettelijke grondslag voor een dergelijke informatie-uitwisseling. Zodoende stellen de ministers een nieuwe wettelijke bepaling voor op grond waarvan informatie over transacties tussen Wwft-instellingen mag worden gedeeld. Meldingen van ongebruikelijke transacties zullen hiervan worden uitgesloten. Het tipping-off verbod staat daar aan in de weg.

Ten tweede wordt een verplichting voorgesteld op grond waarvan instellingen in het kader van een verscherpt cliëntenonderzoek moeten onderzoeken of de cliënt eerder om dienstverlening heeft verzocht, eerder dienstverlening heeft afgenomen of op dit moment afneemt bij een andere instelling, en zo ja, navraag doet bij die andere instelling(en) naar gebleken integriteitsrisico’s.

Tot 14 januari 2020 kan op het wetsvoorstel worden gereageerd.

Pilot Serious Crime Task Force

Recent is de pilot Serious Crime Task Force (SCTF) van start gegaan. Net zoals bovenvermeld wetsvoorstel is de SCTF een uitwerking van het plan van aanpak witwassen. De inhoud van het convenant voor de oprichting van de SCTF, was al eerder openbaar gemaakt. De SCTF is samengesteld uit publieke (Openbaar Ministerie, Politie, Financial Intelligence Unit-Nederland en FIOD) en private partijen (ABN AMRO, ING, Rabobank en de Volksbank). Met de SCTF lijkt tegemoet te worden gekomen aan een roep vanuit de private praktijk tot een integrale aanpak bij de bestrijding van witwassen. Behoudens deze vier private partijen roept de SCTF geen verplichtingen in het leven voor andere private partijen of Wwft-instellingen.

In de SCTF kan onder stringente voorwaarden informatie over “witwassubjecten” door de Publieke Partijen worden gedeeld met de Private Partijen en vice versa. Hiermee wordt beoogd dat de vier banken relevante transacties beter identificeren. Binnen de SCTF wordt in het bijzonder ingezet op het detecteren van zogenoemde “brokers”. Brokers worden aangemerkt als een “zeer invloedrijke personen die (contacten voor het verlenen van) criminele diensten aanbieden aan andere criminelen. Deze “relatief kleine groep” personen maken in de visie van de ministers georganiseerde en ondermijnende criminaliteit mede mogelijk doordat hun dienstverlening boven- en onderwereld met elkaar verbindt.

De SCTF bestaat in beginsel één jaar na ondertekening door de laatste convenantpartij. Na afloop van deze termijn eindigt de SCTF automatisch, tenzij de betrokken partijen voor die tijd onderlinge overeenstemming bereiken over verlenging.

OESO Handboek witwasindicatoren voor Belastingdienstmedewerkers

Recent heeft de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) het Handboek Indicatoren van witwassen en terrorismefinanciering voor medewerkers van de Belastingdienst (hierna: “het Handboek”) gepubliceerd. Doel van het Handboek is om het bewustzijn van witwassen en terrorismefinanciering bij medewerkers van belastingdiensten te vergroten. In het Handboek worden de aard en samenhang van witwasactiviteiten en terrorismefinanciering beschreven, zodat belastingdienstmedewerkers en belastingdiensten een beter begrip krijgen van hun mogelijke bijdrage aan de bestrijding van deze misdrijven.

Hiertoe is – naast aan algemene omschrijving van witwassen en terrorismefinanciering en de rol van belastingdienstmedewerkers bij de bestrijding van deze delicten – een groot aantal indicatoren geformuleerd die kunnen duiden op witwassen of terrorismefinanciering. Voor witwassen zijn deze verdeeld in indicatoren die betrekking op: i) natuurlijke personen, ii) kantoortoets en voorbereiding controle, iii) ondernemingen, iv) liefdadigheidsinstellingen en buitenlandse rechtspersonen, v) vastgoed, vi) contant geld, vii) cryptovaluta, viii) internationale handelsstromen, ix) leningen, en x) zakelijke dienstverleners. Voor terrorismefinanciering zijn “slechts” indicatoren opgesteld ten aanzien van de categorieën i) natuurlijke personen, ii) ondernemingen, iii) liefdadigheidsinstellingen en buitenlandse rechtspersonen, iv) vastgoed en v) cryptovaluta.

Voor de (rechts)praktijk is het Handboek van belang, omdat het inzicht geeft in de indicatoren waarop de Belastingdienst en mogelijk andere Wwft-toezichthouders aandachtig zullen zijn bij de beoordeling van (potentiële) witwas en terrorismefinanciering gerelateerde zaken. Ook voor de beoordeling van de vraag of sprake is van een ongebruikelijke transactie zoals bedoeld in de Wwft kan aansluiting worden gezocht bij het Handboek. Evenmin is uitgesloten dat de indicatoren uit het Handboek in beleid van de Wwft-toezichthouders zullen worden verwerkt. Aldus is het ook voor Wwft-instellingen relevant van de in het Handboek geformuleerde indicatoren kennis te nemen.

Tweede Kamer stemt in met wetsvoorstellen implementatie vijfde anti-witwasrichtlijn

Op 10 december 2019 zijn in de Tweede Kamer drie wetsvoorstellen aangenomen die onderdeel zijn van de implementatie van verplichtingen uit de vijfde anti-witwasrichtlijn (en een enkele nog met de vierde anti-witwasrichtlijn).

In de eerste plaats het wetsvoorstel tot invoering van het UBO-register. Zoals eerder in onze nieuwsbrief geschreven wordt door het wetsvoorstel het UBO-register ingevoerd. Daarin moeten vennootschappen en andere juridische entiteiten informatie over hun UBO (ultimate beneficial owner) registeren en bijhouden.

Ten tweede het wetsvoorstel tot wijziging van de Wwft ter implementatie van de vijfde anti-witwasrichtlijn. In deze nieuwsbrief hebben we een factsheet opgenomen met een overzicht van de wijzigingen in de Wwft door dit wetsvoorstel.

Ter aanvulling op de factsheet wordt volledigheidshalve gemeld dat ook aanbieders van virtuele bewaarportemonnees en aanbieders van diensten voor het wisselen tussen virtuele en fiduciaire valuta als instellingen onder de reikwijdte van de Wwft worden gebracht. Voor deze instellingen wordt bovendien een “registratieplicht” in het leven geroepen. Zonder registratie, die bij DNB moet plaatsvinden, mogen deze instellingen hun diensten niet in of vanuit Nederland aanbieden. DNB kan een verleende registratie doorhalen indien een aanbieder niet voldoet aan de eisen van de Wwft of de Sanctiewet 1977.

Ten derde is het voorstel van de Wet verwijzingsportaal bankgegevens aangenomen. Dit wetsvoorstel wijzigt de Wet op het financieel toezicht (Wft). Het strekt ertoe het proces van het verstrekken van bepaalde identificerende gegevens en andere gegevens – zoals gegevens over de uiteindelijk belanghebbende – door banken en betaaldienstverleners te automatiseren en daardoor efficiënter te laten verlopen.

Thans geschiedt het vorderen of opvragen van gegevens bij banken door overheidsinstanties veelal nog handmatig en op individuele basis. Dit moet in de toekomst plaatsvinden door middel van een zogenoemd “Verwijzingsportaal bankgegevens”. Dit is een technische koppeling die het voor aangesloten banken en betaaldienstverleners mogelijk maakt om geautomatiseerd te voldoen aan vorderingen of verzoeken van overheidsinstanties. Het wetsvoorstel roept hiervoor een wettelijke grondslag in het leven. Hiermee wordt de verplichting om te voorzien in een centraal elektronisch systeem voor gegevensontsluiting, zoals geformuleerd in de vijfde anti-witwasrichtlijn geïmplementeerd.

De wetsvoorstellen zullen nu in de Eerste Kamer worden behandeld. De deadline voor de implementatie van de vierde anti-witwasrichtlijn is reeds geruime tijd verstreken (26 juni 2017). De deadline voor de implementatie van de vijfde anti-witwasrichtlijn is 10 januari 2020. De vraag is of het de Eerste Kamer lukt zich in zo’n kort tijdsbestek over de wetsvoorstellen te buigen en te stemmen. Een nieuwe overschrijding van de implementatietermijn dreigt.

Melden op eigen risico en naam

Om witwassen tegen te gaan en het financieren van terrorisme te voorkomen, wordt van instellingen zoals accountants, advocaten, banken en notarissen gevraagd om ‘ongebruikelijke transacties’ te melden: de zogeheten MOT-melding. Zij vervullen hiermee de rol van poortwachter. Deze bijdrage gaat over een keerzijde van het poortwachtersbestaan. Het doen van een MOT-melding is namelijk niet altijd zonder risico: het kan ertoe leiden dat de naam van de poortwachter in een strafdossier terechtkomt, met alle gevolgen van dien.

Indien de ongebruikelijke transactie waarop de melding ziet, wordt gekwalificeerd als een verdachte transactie, kan dit aanleiding geven tot een strafrechtelijk onderzoek. In dat geval wordt de naam van de instelling die de melding heeft gedaan altijd opgenomen in het strafdossier. Dit betekent dat de naam van de meldende instelling en de inhoud van de melding kenbaar wordt voor degenen die inzage in het dossier hebben. In 2016 werden al Kamervragen gesteld over het feit dat notarissen huiverig waren om MOT-meldingen te doen: nu zij met naam en rugnummer in een strafdossier terecht konden komen, vreesden zij bedreigingen en gevaarlijke situaties.

In het licht van de verhardende criminaliteit werden hierover in oktober opnieuw Kamervragen gesteld. Op 29 november 2019 gaf minister Grapperhaus antwoord.

Allereerst wijzen wij op de uitzondering op de regel die minister Grapperhaus noemt: wanneer een dreigende situatie ontstaat naar aanleiding van een MOT-melding of naar aanleiding van een verklaring daarover, kan ervan worden afgezien om de naam van de meldende instelling in het strafdossier op te nemen. In algemene zin merkt de minister op dat het van groot belang is dat zorgvuldig met de gegevens van meldende instellingen wordt omgegaan. Namen van medewerkers bij meldende instellingen zullen dan ook “zoveel mogelijk achterwege blijven”.

Doorgaans is echter van zo’n dreigende situatie (nog) geen sprake. De minister legt uit hoe de namen van de melders in die gevallen in het strafdossier terechtkomen: MOT-meldingen worden geanalyseerd door de FIU-Nederland, waarna een transactie al dan niet verdacht wordt verklaard. Als een transactie verdacht wordt verklaard, stuurt de FIU-Nederland alle informatie door naar een (bijzondere) opsporingsdienst. In de informatie die de FIU-Nederland beschikbaar stelt, wordt de bedrijfs- of kantoornaam van de meldende instelling opgenomen.

De reden daarvoor is, aldus minister Grapperhaus, drieledig: ten eerste kan het Openbaar Ministerie alleen vervolgen op basis van een verdachte transactie indien deze kan worden geverifieerd. Ten tweede moet het mogelijk zijn voor het Openbaar Ministerie om aanvullende informatie op te vragen, ook  bij de meldende instelling. Ten slotte zouden bewijsproblemen kunnen ontstaan als meldende instellingen bij het openbaar ministerie niet bekend zijn. Indien de meldende instelling bijvoorbeeld gebruikt zou worden voor witwassen, kan immers niets worden bewezen indien de instelling zelf onbekend blijft.

Als het Openbaar Ministerie naar aanleiding van een strafrechtelijk onderzoek besluit vervolging in te stellen, wordt de door de FIU-Nederland verstrekte informatie integraal in het strafdossier opgenomen. Dit is nodig omdat de verdediging en de rechtbank moeten kunnen toetsen op basis van welke informatie een opsporingsonderzoek is gestart. Het opnemen van de naam van de meldende instantie in het dossier is dus relevant voor een goed verloop van het strafproces.

Grapperhaus noemt ten slotte de Landelijk Officier van Justitie Witwasbestrijding, bij wie instellingen eventuele bedreigingen kunnen melden: “Bij het Openbaar Ministerie zijn tot op heden – op één aangekondigde melding na, die uiteindelijk niet daadwerkelijk is ingediend – geen meldingen van notarissen binnengekomen met betrekking tot bedreigingen die zij hebben ervaren en die gerelateerd zijn aan hun meldingen van ongebruikelijke transacties.”

Deze reactie van minister Grapperhaus is, hoewel logisch, weinig geruststellend. Helaas zien wij in de praktijk dat potentiële melders helaas liever afzien van het doen van een MOT-melding, omdat hun vertrouwen in de bescherming niet erg groot is. Wij hopen dat in de toekomst een oplossing zal worden gevonden voor dit probleem in het meldproces – de minister heeft in elk geval aangegeven bereid te zijn om hierover met de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie in overleg te treden.