Wijziging Wet Bibob: sterkere informatiepositie voor bestuursorganen en grotere kans op negatief overheidsbesluit

De Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) regelt dat bestuursorganen en rechtspersonen met een overheidstaak bij (een dreiging van) ernstig gevaar voor misbruik een vergunning kunnen weigeren of intrekken. Na de inwerkingtreding van de Wet Bibob ruim vijftien jaar geleden, is deze al meerdere malen aangepast. Sinds dit voorjaar ligt er weer een nieuw wetsvoorstel dat onderdeel uitmaakt van de wens van het kabinet om de aanpak van ondermijnende criminaliteit te versterken. Wij bespreken een aantal wijzigingen.

Om te beginnen regelt het wetsvoorstel dat de mogelijkheden voor bestuursorganen om eigen onderzoek te verrichten met het oog op de toepassing van de Wet Bibob verder wordt uitgebreid. Op grond van de Wet Bibob kunnen bestuursorganen advies vragen aan het Landelijk Bureau en zelfstandig onderzoek verrichten. Onder de huidige wet bestaat voor hen de mogelijkheid om onder meer strafrechtelijke en politiegegevens van de betrokkene (degene die een besluit van de overheid vraagt of heeft gevraagd, zoals een vergunninghouder) op te vragen en in te zien. De toelichting bij het wetsvoorstel vermeldt dat met de huidige mogelijkheden niet in alle gevallen een anders voorgespiegelde zeggenschapsverhouding of een zogenoemde “stromanconstructie” wordt erkend. Het wetsvoorstel voorziet om die reden in de mogelijkheid voor het bestuursorgaan om ook ten aanzien van een aantal categorieën derden justitiële gegevens in te zien.

Het gaat dan om de betrokkene die vermogen verschaft, de op de (aanvraag tot een) beschikking vermelde leidinggevende of beheerder en de bestuurders of aandeelhouders van de betrokkene. Het idee is dat bestuursorganen op basis van zo’n uitgebreider onderzoek zich een beter oordeel kunnen vormen over de zakelijke omgeving van de betrokkene en daarmee over diens integriteit. Vervolgens kan het bestuursorgaan een zaak zelfstandig afdoen. Voor de praktijk betekent dit een groter risico op een negatief overheidsbesluit, nu niet alleen de betrokkene zelf door het bestuursorgaan wordt getoetst maar ook derden om hem heen.

Daarnaast wordt in het wetsvoorstel nu expliciet opgenomen dat de volgende feiten en omstandigheden, naast de huidige rechterlijke veroordeling, erop wijzen dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten, hetgeen tot weigering of intrekking van een beschikking kan leiden:

  • een onherroepelijke strafbeschikking;
  • een transactie met het openbaar ministerie waardoor het recht tot strafvervolging is vervallen;
  • een onherroepelijke beschikking tot het opleggen van een bestuurlijke boete; en
  • een beschikking tot het opleggen van een bestuurlijke boete waartegen beroep is ingesteld, waarop de bestuursrechter in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan.

Een andere wijziging betreft het voorstel van de minister om de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te overrulen; volgens de jurisprudentie van dit hoogste rechtsorgaan in Nederland staat het feit dat het openbaar ministerie wegens onvoldoende bewijs afziet van strafrechtelijke vervolging eraan in de weg dat voor de toepassing van de Wet Bibob wordt geconcludeerd dat betrokkenheid bij een strafbaar feit voldoende aannemelijk is. Het wetsvoorstel behelst een nieuw artikel waarin is opgenomen dat de beoordeling van feiten en omstandigheden in de bestuursrechtelijke context van de Wet Bibob niet gebonden is aan de strafrechtelijke beoordeling daarvan door het openbaar ministerie. In de praktijk kan dit betekenen dat indien een (rechts)persoon niet strafrechtelijk wordt vervolgd, deze evengoed wordt “bestraft” door een negatief besluit van de overheid zoals het niet-verlenen of intrekken van een vergunning. Aan de andere kant wordt nu in de Wet Bibob wel expliciet opgenomen dat in geval van een rechterlijke uitspraak houdende een vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging, dit strafbare feit dan niet meer kan meewegen bij de toepassing van de Wet Bibob. Bestuursorganen zijn derhalve niet gebonden aan een beslissing van het openbaar ministerie om niet (verder) te vervolgen maar wél aan een oordeel van de rechter.

Naast voorgaande wijzigingen voorziet het wetsvoorstel in aanpassingen betreffende het toepassingsbereik van de Wet en wettelijke criteria voor het Landelijk Bureau om in bepaalde gevallen af te zien van het uitbrengen van een advies.

Inmiddels is de internetconsultatie voor dit wetsvoorstel gesloten. De reacties zullen worden verwerkt, waarna het voorstel bij de Tweede Kamer zal worden ingediend voor verdere behandeling. Wij zullen de ontwikkelingen blijven monitoren.