Strafrechtelijke immuniteit van de gemeente voor het niet nemen van verkeersmaatregelen?

Op 30 november 2017 is een conclusie van advocaat-generaal  bij de Hoge Raad mr. Machielse (‘de AG’) gepubliceerd naar aanleiding van door hem ingediende vordering tot cassatie in het belang der wet. Het beroep in cassatie is ingesteld naar aanleiding van de uitspraak van de Rechtbank Utrecht van 10 december 2012, waarbij de Gemeente Stichtse Vecht (rechtsopvolger van de gemeente Maarssen) is veroordeeld wegens dood door schuld.

De AG stelt de vraag aan de orde of in deze zaak de gemeente wel strafrechtelijk vervolgd kon worden voor de feiten die waren tenlastegelegd.

De gemeente, als wegbeheerder, is vervolgd voor dood door schuld doordat zij het wegdek niet (goed) heeft (laten) onderhouden. Zo is niet gezorgd voor een geëgaliseerd en dus veilig wegdek, de maximumsnelheid is niet aangepast en er zijn ook geen waarschuwingsborden geplaatst.

In 2009 verloor een motorrijdster op de betreffende weg de macht over het stuur, waardoor de motor ten val kwam en in botsing kwam met een tegemoetkomende bedrijfsauto. De bestuurster van de motor en haar bijrijder kwamen om het leven. De rechtbank heeft aangenomen dat het ongeval is veroorzaakt doordat de motor is gaan stuiteren toen deze over een aantal hobbels in het wegdek reed die door de wortels van de bomen in de berm waren veroorzaakt.

Naar aanleiding van een telefonische klacht over de slechte staat van het wegdek had de gemeente ter plekke, vermoedelijk in april 2007 – na inspectie – waarschuwingsborden met als opschrift “slecht wegdek” geplaatst. Daarna hebben nog meer inspecties plaatsgevonden zonder dat deze de gemeente aanleiding gaven om nadere maatregelen te nemen. Op 20 oktober 2008 werd opnieuw telefonisch melding gemaakt van het slechte wegdek. Op 1 maart 2009 is een motorrijder ter plekke ten val gekomen. Op dezelfde dag klaagde een inwoner van de gemeente over de slechte toestand van de weg. De gevallen motorrijder schreef op 2 maart 2009 een brief, waarin hij zich over het wegdek beklaagde. Op 3 maart 2009 heeft weer een inspectie plaatsgevonden, maar de metingen die toen zijn verricht zijn niet tot stand gekomen volgens de door het CROW aanbevolen methodiek, waardoor de uitkomsten minder verontrustend waren. Als de binnengekomen klachten serieus zouden zijn genomen en de beoordeling van de veiligheid op 3 maart 2009 goed zou zijn uitgevoerd had de gemeente onmiddellijk veiligheidsmaatregelen moeten nemen.

De verdediging heeft voor de rechtbank een beroep gedaan op de strafrechtelijke immuniteit van de gemeente met betrekking tot deze tenlastegelegde gedraging (nalaten). De rechtbank heeft dit verweer niet gehonoreerd en daarvoor verwezen naar de standaard rechtspraak van de Hoge Raad van 6 januari 1998 (Pikmeer II arrest) omtrent beantwoording van de vraag naar immuniteit van decentrale overheden. In dit arrest is bepaald dat vervolging van decentrale overheden alleen is uitgesloten wanneer de gedragingen in kwestie naar hun aard en gelet op het wettelijk systeem rechtens niet anders dan door bestuursfunctionarissen kunnen worden verricht in het kader van de uitvoering van de aan het openbaar lichaam opgedragen bestuurstaak, zodat uitgesloten is dat derden in zoverre op gelijke voet als het openbaar lichaam aan het maatschappelijk verkeer deelnemen. Voor strafrechtelijke immuniteit van een publiekrechtelijke rechtspersoon is derhalve slechts ruimte als sprake is van wat algemeen wordt aangeduid als een exclusieve bestuurstaak (zie Hof Arnhem 24 september 2009, overweging 14, LJN AE7956).

De rechtbank heeft overwogen dat hier van een exclusieve bestuurstaak van de gemeente geen sprake was nu de gemeente voor de beoordeling van verkeersrisico’s en (het niet uitvoeren van) tijdelijke noodoplossingen derden kon inschakelen. Om die reden is geen sprake van aan de overheid voorbehouden besluitvorming of handelen.

De AG is echter een andere mening toegedaan. In zijn optiek kan het (strafrechtelijk relevant) nalaten verkeersmaatregelen te treffen alleen plaatsvinden door de wegbeheerder en dus door gemeentelijke functionarissen zelf en niet door derden.  Om die reden kwam aan de gemeente wel strafrechtelijke immuniteit toe.

De AG verzoekt de Hoge Raad om de uitspraak van de rechtbank in het belang der wet te vernietigen. De Hoge Raad doet naar verwachting uitspraak op 20 februari 2018. Zou zij met het advies van de AG meegaan en de uitspraak vernietigen, dan heeft dit geen verdere gevolgen voor de veroordeling van de gemeente. Deze blijft in stand. Een dergelijke uitspraak van de Hoge Raad zal de decentrale overheden wat meer rust geven.