Strafbaarstelling behulpzaamheid bij wederrechtelijke prostitutie: veel vragen, weinig antwoorden

In mei van dit jaar is het wetsvoorstel “Herwaardering strafbaarstelling actuele delictsvormen” in consultatie gegaan. Het wetsvoorstel voorziet in een tiental wijzigingen van het Wetboek van Strafrecht. Een van deze wijzigingen is de invoering van een nieuw misdrijf: het uit winstbejag behulpzaam zijn bij wederrechtelijke prostitutie. Deze nieuwe strafbaarstelling roept veel vragen die lang niet allemaal worden beantwoord in de toelichting bij het wetsvoorstel. Desalniettemin is waarschijnlijk dat deze nieuwe strafbepaling ook gevolgen gaat hebben voor dienstverleners zoals vastgoedeigenaren en -beheerders, banken en makelaars.

Het wetsvoorstel

In het verlengde van de plannen om prostitutie in de toekomst vergunningplichtig te maken ligt de wens van het Kabinet Rutte III om behulpzaamheid bij wederrechtelijke prostitutie voortaan strafbaar te stellen. Aan deze wens wordt gevolg gegeven met artikel 206a Sr (nieuw) dat als volgt moet komen te luiden:

Hij die een ander uit winstbejag behulpzaam is bij het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling terwijl hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat die beschikbaarstelling wederrechtelijk is wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie.”

Art. 206a Sr nader beschouwd:

Uit de wettekst volgt dat de nieuwe strafbepaling meerdere bestanddelen kent. De meeste spreken voor zich, een aantal zijn de moeite waard om nader te bespreken, te weten: i) wederrechtelijkheid; ii) winstbejag; iii) behulpzaamheid; en iv) weet of ernstige reden heeft om te vermoeden

Wederrechtelijkheid: Van ‘wederrechtelijk’ in de zin van art. 206a Sr (nieuw) is al sprake als de prostituee of escort geen vergunning heeft. Niet vereist is dus dat anderszins sprake is van ‘illegaliteit’ (bijv. mensenhandel, uitbuiting etc.). Het is dus eigenlijk beter om te spreken van behulpzaamheid bij “vergunningloze” prostitutie.

Winstbejag: Dit begrip is ruim bedoeld en van voordeel is al sprake bij normale tarieven, extra hoge verdiensten zijn dus niet vereist. Met andere woorden: iedere commerciële partij, zelfs als volkomen gebruikelijke tarieven worden gehanteerd, handelt uit winstbejag zoals bedoeld in art. 206a Sr (nieuw). Alleen een (rechts)persoon die volstrekt belangeloos diensten of goederen verleent zal niet onder dit begrip vallen.

Behulpzaamheid: Van behulpzaamheid is sprake als de betrokkene de wederrechtelijke prostitutie door een ander “in enigerlei opzicht bevordert of gemakkelijk maakt”. Gelet op deze ruime definitie ligt het voor de hand om aan te nemen dat ook bijvoorbeeld hotels en woningverhuurders ‘behulpzaam’ zijn als zij een hotelkamer of woning verhuren van waaruit – al dan niet incidenteel – prostitutie plaatsvindt. Dit is geen denkbeeldig scenario. Ook (high-end) escorts en zelfstandige prostituees zullen immers onder de reikwijdte van de nieuwe strafbepaling vallen. Maar ook bijvoorbeeld een bank die een rekening aanhoudt voor een cliënt waarop de escortverdiensten worden gestort of overgemaakt zal vermoedelijk ‘behulpzaam’ zijn in de zin van art. 206a Sr (nieuw).

Weet of ernstige reden heeft om te vermoeden: Vereist is dat de betrokkene “weet of ernstige reden heeft om te vermoeden” dat sprake is van wederrechtelijke prostitutie. Daarvan zal sprake zijn “bij zodanige omstandigheden dat de faciliteerder zich bewust had moeten zijn van illegale prostitutie of wanneer sprake is van een verwijtbaar wegkijken door de faciliteerder.” Dat is een rijkelijk vage omschrijving die weinig handvatten biedt. Met name als het gaat om de vraag of en, zo ja, in welke mate sprake zal zijn van een onderzoeksplicht. Als een vergelijkbare reikwijdte bedoeld is als het begrip “weet of ernstige reden heeft om te vermoeden” in art. 11a Opiumwet (behulpzaamheid bij hennepteelt) gaat voor dienstverleners waarschijnlijk het volgende gelden:

  • er zal geen sprake zijn van een algemene onderzoeksplicht.

Dit betekent dat bijvoorbeeld een verhuurder of een hotel dus niet actief zal hoeven na te vragen c.q. te controleren of er in een verhuurde woning of hotelkamer prostitutie plaatsvindt. Ook een bank hoeft niet – althans niet vanwege art. 206a Sr (nieuw) – actief te onderzoeken of gelden op een rekening afkomstig zijn uit wederrechtelijke prostitutie.

  • wel zal een dergelijke partij nader onderzoek moeten doen als er “signalen” van prostitutie zijn.

Dit betekent dat bijvoorbeeld een woningbouwvereniging die van andere flatbewoners hoort dat een verhuursters als escort actief is en meerdere mannen per avond in haar appartement ontvangt niet stil kan blijven zitten. Datzelfde geldt voor een bank die signalen ontvangt dat een cliënt actief is als prostituee en zich door klanten laat betalen via diens bankrekening.

De vervolgvraag is wat dit nadere onderzoek zou moeten inhouden. Het ligt voor de hand dat in ieder geval binnen de (beperkte) mogelijkheden die de dienstverlener heeft nader onderzoek wordt gedaan naar de vraag of inderdaad sprake is van prostitutie. Dat zal lang niet altijd eenvoudig zijn. Het is waarschijnlijk veel moeilijker voor een woningverhuurder om te controleren of prostitutie plaatsvindt in een woning of bedrijfspand dan of daar een hennepplantage aanwezig is.

Ook denkbaar is dat de dienstverlener zijn onderzoek aan de “achterkant” begint: heeft de betrokkene een vergunning als prostituee? Is dat het geval dan kan van overtreding van art. 206a Sr (nieuw) immers geen sprake zijn. Maar dit vereist natuurlijk wel dat het hebben van een prostitutievergunning ook kan worden gecontroleerd door de dienstverlener. Vooralsnog is onduidelijk of en zo ja hoe, ook niet-overheidsinstanties zullen kunnen nagaan of aan een bepaalde (rechts)persoon een prostitutievergunning is afgegeven.

Levert het nadere onderzoek concrete aanwijzingen van wederrechtelijke prostitutie op dan zal de dienstverlener moeten handelen om (een verdenking van) overtreding van art. 206a Sr (nieuw) te voorkomen. Meest voor de hand ligt dat nadere eisen worden gesteld aan de afnemer van de diensten. Maar ook is denkbaar dat de dienstverlening in het geheel wordt gestaakt. Voor de bank betekent dit beëindiging van de cliëntrelatie terwijl een woningcoöperatie de huur zal moeten opzeggen. Of hiertoe ook (voldoende) juridische ruimte zal bestaan zal de toekomst moeten uitwijzen. De praktijk met betrekking tot hennepplantages leert dat waar het de verhuur van woningen betreft beëindiging van de cliëntrelatie lang zo eenvoudig nog niet is.

Conclusie:

Hoewel in de concept Memorie van Toelichting van een ‘pooierverbod’ wordt gesproken is waarschijnlijk dat art. 206a Sr (nieuw) een veel ruimere reikwijdte heeft. Dat betekent dat ook dienstverleners zoals eigenaren van vastgoed, banken en makelaars er rekening mee moeten houden dat deze bepaling gevolgen voor hun heeft. Of dit inderdaad het geval is en zo ja in welke mate zal de toekomst moeten uitwijzen. Op dit moment zijn er nog (te) veel onduidelijkheden. Het zou goed zijn als de definitieve Memorie van Toelichting klare wijn schenkt op dit punt.