Overzichtsuitspraak woningsluiting door burgemeester op grond van de Opiumwet: ook betekenis voor bedrijven?

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (RvS) heeft op 28 augustus 2019 een overzichtsuitspraak gedaan over het sluiten van woningen door de burgemeester na de vondst van drugs. Met deze uitspraak geeft de RvS meer duidelijkheid over de manier waarop zij besluiten van de burgemeester over het sluiten van woningen toetst.

Als in een woning een handelshoeveelheid drugs wordt gevonden, dan kan de burgemeester besluiten die woning te sluiten op grond van art. 13b Opiumwet. Gedurende de sluiting mogen ook de bewoners niet naar binnen. Sluiting is een vorm van bestuursdwang met ingrijpende en verstrekkende gevolgen voor de bewoners. De burgemeester weegt bij een besluit tot sluiting van een woning altijd alle betrokken belangen af.

Eerst moet de burgemeester beoordelen of sluiting van de woning noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat in de omgeving en het herstel van de openbare orde (r.o. 4.1).  Daarbij speelt een rol de ernst en omvang van de overtreding (onder meer welke soort en hoeveel drugs zijn aangetroffen (r.o. 4.1.1) en of feitelijk drugshandel in of vanuit de woning heeft plaatsgevonden (r.o. 4.1.2).

Als sluiting noodzakelijk wordt geacht, dan moet de burgemeester beoordelen of sluiting evenredig is (r.o. 4.2). De burgemeester gaat dan na of het belang bij sluiting in verhouding staat tot de gevolgen daarvan voor de bewoners. Belangrijk daarbij is of de bewoners wisten of konden weten dat er drugs in de woning aanwezig waren en zo ja of hen dat kan worden verweten (r.o. 4.2.1). Als bewoners zelf actief en op grote schaal drugs verhandelen in of vanuit hun woning, dan kan sluiting ook als dat zwaarwegende persoonlijke gevolgen heeft (r.o. 4.2.2). Denk bijvoorbeeld aan de aanwezigheid van minderjarige kinderen (r.o. 4.2.3).

Aan de overzichtsuitspraak ligt ten grondslag een besluit tot sluiting van een woning van de burgemeester van Maastricht. In de woning was een handelshoeveelheid harddrugs aangetroffen, maar niet zo veel dat alleen al daarom sluiting gerechtvaardigd was. De drugs bleken niet van de bewoner te zijn, maar van haar ex-partner. Het is aannemelijk geworden dat zij daar niets van wist. Verder heeft de bewoner een dochter met gezondheidsklachten die het nodig maken dat zij in een aangepaste woning woont. Verhuizing naar een andere woning zonder die aanpassingen is niet zomaar mogelijk.

De RvS komt tot de conclusie dat deze sluiting niet terecht is. Zij overweegt onder 5.2: “Gelet op het ontbreken van verwijtbaarheid (…) en vooral de allergieproblematiek van haar dochter, waardoor zij gebonden is aan de woning, is de Afdeling (…) van oordeel dat er bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb zijn die maken dat het handelen overeenkomstig het beleid gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met het beleid te dienen doelen. Dit betekent dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de burgemeester in dit geval niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot sluiting van de woning gebruik heeft kunnen maken (mijn onderstreping, MP).”

Hoewel de overzichtsuitspraak specifiek betrekking heeft op woningen is deze mogelijk ook voor het bedrijfsleven relevant.  De sluitingsbevoegdheid op grond van art. 13b Opiumwet is immers niet beperkt tot woningen, maar strekt zich ook uit over ‘lokalen’. Op de eerste plaats kan daarbij gedacht worden aan coffeeshops, theehuizen en restaurants, maar ook kantoor- en bedrijfsruimten kunnen onder het begrip ‘lokaal’ vallen. De RvS zou dus ook waar het de sluiting van lokalen betreft aan de hand van het hiervoor uiteengezette kader kunnen gaan toetsen.