Hof: Nederlands wettelijk kader voor doorzoeking smartphone in strijd met recht op privacy (art. 8 EVRM)

Op 22 april 2015 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden geoordeeld dat – kort gezegd – het Nederlandse wettelijke kader voor een doorzoeking van een smartphone niet voldoet aan de eisen van art. 8 EVRM. Het Hof volgde daarmee het verweer van Marleen van Beckhoven en Thom Dieben, advocaten bij JahaeRaymakers. Het Hof oordeelde dat de technische ontwikkelingen anno 2015 met zich brengen dat er via een smartphone niet alleen toegang wordt verkregen tot verkeersgegevens, maar ook tot de inhoud van communicatie en privé-informatie van de gebruiker van de smartphone. En dat zonder enige vorm van voorafgaande beoordeling van de subsidiariteit en/of proportionaliteit van de bevoegdheid. Dat bracht het Hof tot het oordeel dat sprake is van een zodanig ingrijpende bevoegdheid dat, mede gelet op art. 1 Sv, de algemene bevoegdheidsomschrijving van artikel 94 Sv heden ten dage niet meer kan worden aangemerkt als een wettelijk voorschrift dat als voldoende kenbaar en voorzienbaar kan worden aangemerkt bij de uitoefening van de verleende bevoegdheid. Het kan derhalve de toets van art. 8 EVRM niet (meer) doorstaan. Om die reden was in de optiek van het Hof sprake van een onherstelbaar vormverzuim. Weliswaar verbond het Hof daar uiteindelijk geen rechtsgevolgen aan maar dat doet aan de principiële stellingname niet af.

Bekijk ook: