Het beroepsverbod

Op 22 januari 2019 deed de Hoge Raad een belangrijke uitspraak over de mogelijkheden voor de Nederlandse strafrechter om een beroepsverbod op te leggen (ECLI:NL:HR:2019:87).

Sinds jaar en dag is het op grond van art. 28 Sr mogelijk dat de strafrechter als bijkomende straf de ontzetting van het recht een bepaald beroep uit te oefenen uitspreekt. Hiervoor is wel vereist dat de strafbepaling waarvoor een veroordeling wordt uitgesproken expliciet voorziet in de mogelijkheid om deze bijkomende straf op te leggen. Voorbeelden van dergelijke strafbepalingen zijn oplichting (vgl. art. 349 Sr) en witwassen (vgl. art. 420quinquies Sr). Een beroepsverbod als bijkomende straf is dus niet voor alle strafbare feiten mogelijk.

Deze beperking leverde in de praktijk nog wel eens problemen op in die gevallen waarin een beroepsverbod niet mogelijk was maar oplegging daarvan wel wenselijk werd geacht. Dit leidde dan weer tot discussie over de toelaatbaarheid van een alternatieve constructie waarbij de facto hetzelfde resultaat wordt bereikt (te weten: oplegging van een voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarde dat tijdens de proeftijd een bepaald beroep niet mag worden uitgeoefend). Opvallend genoeg had de Hoge Raad zich nog niet uitgelaten over de toelaatbaarheid van zo’n “alternatief beroepsverbod”. Het arrest van 22 januari 2019 brengt hierin verandering.

De zaak draaide om een gastouder die in paniek een aan haar zorg toevertrouwde baby meermaals heen en weer had geschud. De baby had hierdoor zwaar lichamelijk letsel opgelopen in de vorm van ernstige verlammingen en nagenoeg blindheid. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwaarden veroordeelde de gastouder uiteindelijk voor zwaar lichamelijk letsel door schuld (art. 308 Sr). Het Openbaar Ministerie had onder meer ontzetting uit het beroep van gastouder gevorderd. Volgens het gerechtshof was deze bijkomende straf echter niet mogelijk bij een veroordeling voor art. 308 Sr. Dat knelde want het gerechtshof vond een beroepsverbod wel wenselijk. Het bedacht daarom een creatieve oplossing waarmee hetzelfde resultaat werd bereikt: aan de gastouder werd een gedeeltelijk voorwaardelijke straf opgelegd met als bijzondere voorwaarde dat gedurende de proeftijd geen werkzaamheden als gastouder mochten worden verrichten.

De gastouder stelde cassatieberoep in bij de Hoge Raad. Een van haar klachten in cassatie ziet op de door het hof opgelegde bijzondere voorwaarde. De facto wordt daarmee immers een straf opgelegd waarvoor de wet geen ruimte biedt. Een dergelijke omzeiling van de wet is niet toegestaan volgens de gastouder.

De Hoge Raad is het in zoverre met de gastouder eens dat een alternatieve route om tot een beroepsverbod te komen niet toelaatbaar is “indien oplegging van die straf in het concrete geval wettelijk niet mogelijk zou zijn of indien anderszins de wettelijke regeling van die straf op onaanvaardbare wijze wordt doorkruist.” Het blijkt echter een Pyrrhus-overwinning voor de gastouder. Het gerechtshof was er volgens de Hoge Raad namelijk ten onrechte vanuit gegaan dat aan de gastouder geen “gewoon” beroepsverbod kon worden opgelegd. Nu het gerechtshof het beroepsverbod ook als bijkomende straf had kunnen opleggen leverde de keuze van het gerechtshof om een alternatieve route te bewandelen om hetzelfde resultaat te bereiken dan ook geen onaanvaardbare doorkruising van het wettelijke systeem op. Het aan de gastouder opgelegde alternatieve beroepsverbod hoefde dan ook niet van tafel van de Hoge Raad.

Eigenlijk had het hof het zich dus onnodig ingewikkeld gemaakt. Voor de strafrechtspraktijk valt dit niet te betreuren. De uitspraak van de Hoge Raad biedt (juist vanwege de nodeloze constructie van het hof) immers duidelijkheid voor toekomstige gevallen: een door de strafrechter opgelegd beroepsverbod is en blijft alleen mogelijk bij veroordeling voor specifieke strafbare feiten. Is daarvan geen sprake dan moet worden gekeken naar opties buiten het strafrecht, bijv. – indien dat bestaat voor de desbetreffende beroepsgroep – een gang naar de tuchtrechter (zie hierover ook J.G. Geertsma en M. Slaghekke, Het ontzetten uit beroep of ambt Op de weg van de straf- en/of tuchtrechter? NJB 2015/2170). Is wel sprake van een strafbaar feit waarvoor een beroepsverbod kan worden opgelegd dan staat het de strafrechter vrij om te kiezen op welke wijze dit beroepsverbod wordt vormgegeven: als bijkomende straf of als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijke straf.

Helemaal zinledig is de keuze voor het een of het ander overigens niet. Een “gewoon” beroepsverbod (bijkomende straf) duurt minimaal twee jaar en maximaal vijf jaar langer dan de opgelegde gevangenisstraf (art. 31 Sr). Niet-naleving kan worden bestraft met een maximale gevangenisstraf van zes maanden (art. 195 Sr). In beginsel kan deze straf bij iedere overtreding opnieuw worden opgelegd. Een “alternatief” beroepsverbod (bijzondere voorwaarde) daarentegen kan – gelet op de maximale duur van de proeftijd – in beginsel niet langer dan drie jaar duren (art. 14b Sr). Bovendien kan een voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf maar eenmaal ten uitvoer worden gelegd en is de duur van het voorwaardelijke gedeelte van een gevangenisstraf maximaal twee jaar (art. 14a Sr). Een strafrechter doet er dan ook goed aan om deze verschillen in het achterhoofd te houden bij de keuze tussen een “gewoon” beroepsverbod en een “alternatief” beroepsverbod.

De casus van de gastouder onderstreept dit. Het aan haar opgelegde “alternatieve” beroepsverbod geldt – gelet op de proeftijd – drie jaar en de “stok achter de deur” bij overtreding is maximaal twee maanden (zijnde het voorwaardelijk gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf). Niet valt uit te sluiten dat het hof dan ook voor een “gewoon” beroepsverbod had gekozen zou het hebben geweten dat dit weldegelijk mogelijk was. Een dergelijk beroepsverbod kan immers langer duren terwijl niet-naleving ervan bovendien vaker (en zwaarder) gesanctioneerd kan worden.