Evaluatie Bureau Financieel Toezicht; van willekeurig naar risicogericht toezicht

Op 13 juli 2018 stuurde de Minister voor Rechtsbescherming het evaluatierapport Bureau Financieel Toezicht (BFT) naar de Tweede Kamer. In opdracht van het WODC is onderzoek verricht naar de doeltreffendheid en doelmatigheid van het toezicht door het BFT, toezichthouder op notarissen en gerechtsdeurwaarders.

De evaluatie laat een overwegend positief beeld zien over de wijze waarop het BFT zich heeft ontwikkeld. Het BFT voert minder a-selecte (random) onderzoeken uit en is meer risicogericht (gebaseerd op concrete signalen en zelf-assessments) gaan optreden. Deze aanpak wordt als doeltreffender bestempeld dan de oorspronkelijke aanpak van het BFT. Hoe (veel) doeftreffend(er) het BFT heeft gefunctioneerd is echter niet te zeggen bij gebrek aan informatie over naleving en effecten van toezicht.

Verder zijn de onderzoekers tot de conclusie gekomen dat het BFT zaken die een tuchtrechtelijke beoordeling vragen correct afhandelt. Zij constateren ook dat de beroepsgroep nog meer aandacht wil voor het voorkomen van overtredingen en misstanden en geven aan “Het BFT zal scherpe bestuurlijke keuzes moeten maken met als mogelijk gevolg een verminderde inzet op de reguliere en bijzondere onderzoeken om de genoemde stap mogelijk te maken.”

De Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB) ziet in de meer risicogerichte aanpak wel een vergroting van de afstand tussen de beroepsgroep en het BFT. “Hoewel de beroepsgroep had verwacht dat het toezicht was gericht op preventief optreden, mede gevoed door de hoeveelheid informatie die moest worden aangeleverd, bleek het risicogebaseerd toezicht vooral uit te pakken als repressief toezicht”, aldus de KNB-voorzitter. De KNB vindt dan ook dat het toezicht van het BFT anders moet, maar daarmee onderschrijft het in zekere zin wel de conclusie van het rapport.

De onderzoekers hebben geconcludeerd dat het BFT toe is aan een volgende stap in zijn ontwikkeling. Deze stap bestaat uit “het verbreden van het perspectief naar een integrale analyse van de markt en de maatschappelijke context van het toezicht, het dieper analyseren van de onderliggende oorzaken van problemen en het experimenteren met alternatieve toezichtsinterventies.”

Een jaar geleden nog stuurde de ledenraad van de KNB een brandbrief aan het BFT. Hierin uitte zij – in niet mis te verstane bewoordingen – haar zorgen over het functioneren van de toezichthouder. De besturen van de KNB en het BFT hebben toen afgesproken samen te streven naar een mogelijke beperking van de administratieve lasten en verbetering van de communicatie tussen de verschillende bestuursorganen en haar leden.

De gebrekkige samenwerking is ook door de onderzoekers vastgesteld. Als oorzaken zijn aangedragen de toegenomen overlap in verantwoordelijkheden tussen het BFT en de beroepsorganisatie en een gebrek aan wederzijds vertrouwen. Zo vragen de beroepsorganisaties zich af of het toezicht niet te rigide en repressief is, of het toezicht in staat is om de risico’s in de veranderende praktijk te ontwarren en hoe het BFT acteert op informatie die van beroepsorganisaties ontvangen wordt.

De toekomst zal uitwijzen of de verstandhouding tussen de toezichthouder en de (leden van) beroepsorganisaties verbetert en of het BFT in staat is de door onderzoekers beschreven ontwikkelingsslag te maken. Dat zal in ieder geval niet eenvoudig worden, want de beschikbare (budgettaire) capaciteit van het BFT staat nu al onder druk.