EHRM Carrefour tegen Frankrijk: de erfenis van een boete bij fusie of overname

Op 24 oktober 2019 heeft het EHRM uitspraak gedaan in de zaak van supermarktketen Carrefour tegen Frankrijk. De zaak ging over een Franse civielrechtelijke procedure waarin Carrefour France in eerste aanleg en in hoger beroep aansprakelijk werd geacht voor handelingen in strijd met de Code du Commerce door het dochterbedrijf Carrefour hypermarchés France (Carrefour hypermarchés).

Tegen Carrefour hypermarchés is in 2006 door het ministerie van economische zaken, financiën en industrie een procedure gestart wegens handelen in strijd met de Code du Commerce. Carrefour hypermarchés werd ervan verdacht van 22 leveranciers voordelen te hebben verkregen, die onevenredig waren in relatie tot de geleverde diensten. Terwijl de procedure nog aanhangig was, is Carrefour hypermarchés ontbonden zonder vereffening. Daarbij zijn alle activiteiten van Carrefour hypermarchés, met alle activa en bijbehorende schulden, overgedragen aan enig aandeelhouder Carrefour France. De Franse rechter heeft vervolgens Carrefour France veroordeeld tot betaling van een boete van EUR 60.000 voor de handelingen van Carrefour hypermarchés. Carrefour France ging in hoger beroep en stelde dat door een boete aan haar op te leggen voor handelingen die zijn toe te schrijven aan Carrefour hypermarchés, de regel was geschonden dat een persoon niet kan worden veroordeeld voor strafbare handelingen die hij of zij niet heeft begaan (ook wel het “persoonlijkheidsbeginsel”) genoemd. Carrefour France verloor de procedure tot aan het hoogste Franse gerecht.

In 2014 heeft Carrefour France een verzoekschrift bij het EHRM ingediend op basis van artikel 6 lid 1 EVRM (recht op een eerlijke behandeling) en artikel 6 lid 2 EVRM (vermoeden van onschuld), waarin Carrefour France klaagde over de boete die haar was opgelegd voor handelingen van Carrefour hypermarchés.

Het EHRM merkt op dat Carrefour hypermarchés na de fusie ophield te bestaan ​​voor juridische doeleinden, maar dat de activiteiten van het bedrijf waarmee het de juridische structuur had gevormd niettemin waren voortgezet door Carrefour France. Carrefour France was gesubrogeerd in alle lopende contracten van Carrefour hypermarchés en was werkgever geworden van diens personeel. Aangezien de met de wet strijdige handelspraktijken in het kader van voornoemde activiteiten zijn verricht en die na de fusie waren voortgezet, was juist in eerste instantie een procedure tegen Carrefour hypermarchés aanhangig gemaakt. Het EHRM heeft geoordeeld dat de veroordeling van Carrefour France tot betaling van de civiele boete is gebaseerd op het principe van de economische en operationele continuïteit van de onderneming, en dat de Franse gerechten derhalve niet de regel hadden overtreden dat een persoon niet kan worden veroordeeld voor strafbare handelingen die hij of zij niet heeft begaan. Het verzoek van Carrefour France is daarom ongegrond verklaard.

Deze uitspraak bevestigt dat het mogelijk is om aan een rechtspersoon (na een fusie) een boete op te leggen voor strafbare handelingen van de rechtspersoon die wordt overgenomen. In Nederlandse (strafrechtelijke) jurisprudentie wordt gesproken over de maatschappelijke realiteit, die bepalend is voor de vraag of sprake is van voortzetting (continuïteit) van een bedrijf en dus of een boete aan de overnemende rechtspersoon kan worden opgelegd of strafvervolging daartegen kan worden ingesteld. Voor die toets is onder meer de aard van de zakelijke activiteiten, de samenstelling van het bestuur en senior management en de overgang van activa van belang. Indien een nieuwe rechtspersoon de ontbonden rechtspersoon – door voortzetting of omzetting – heeft opgevolgd, kan strafvervolging tegen de nieuwe rechtspersoon plaatsvinden indien de activiteiten van beide rechtspersonen, gelet op de maatschappelijke realiteit, aan elkaar gelijkgesteld kunnen worden.