‘Criminele intentie’ vereist voor strafbare voorbereidingshandelingen

In een arrest van 11 maart 2018 oordeelde de Hoge Raad dat voor een bewezenverklaring van “strafbare voorbereiding” (onder omstandigheden een zelfstandig strafbaar feit) noodzakelijk is dat een verdachte wist dat de onder hem aangetroffen goederen daadwerkelijk bestemd waren voor het plegen van strafbare feiten. Wist hij van die strafbare bestemming, kan hij veroordeeld worden voor strafbare voorbereiding. Wist hij niet van een dergelijke bestemming, of ontbreekt bewijs voor een dergelijke “strafbare bestemming”, moet vrijspraak volgen.

De feiten betreffen voorbereidingshandelingen voor hennepteelt, strafbaar gesteld in de Opiumwet. Het arrest heeft evenwel bredere gevolgen: strafbare voorbereiding als zelfstandig misdrijf bestaat ook buiten de wereld van opiumdelicten. In het financieel economisch strafrecht, denk aan georganiseerde fraude zoals, bijvoorbeeld, BTW carrousels of andere grootschalige vormen van oplichting is het niet ondenkbaar dat er sprake is van deelnemers die strafbare feiten van bijvoorbeeld mededaders hebben voorbereid.

Het is voor een veroordeling van strafbare voorbereiding op zichzelf niet nodig dat er daadwerkelijk een hennepkwekerij aangetroffen wordt – of andere strafbare feiten reeds zijn gepleegd. Voldoende kan zijn dat er sprake is van voorbereiding van dergelijke feiten.

In de kelder van verdachte werden goederen aangetroffen die bruikbaar zijn voor het (onder)houden van een hennepkwekerij – denk aan lampen, afzuigingsmateriaal en aanzienlijke hoeveelheden met potaarde gevulde plantenbakken. Er was geen hennep.

Het standpunt van de verdediging was dat bij verdachte eerder een hennepkwekerij was aangetroffen en dat deze goederen toen nooit opgeruimd zijn. Verdachte wist dat ze er stonden, maar ze waren niet bedoeld voor een nieuwe hennepkwekerij.

In hoger beroep werd verdachte veroordeeld: hij wist immers dat de goederen bestemd zijn voor een hennepkwekerij, want daarvoor zijn ze ook daadwerkelijk in het verleden gebruikt. Of verdachte nu (ook) weer een hennepkwekerij in stand wilde houden met de goederen, was voor het Hof niet relevant.

De Hoge Raad oordeelde anders. Voor veroordeling van strafbare voorbereiding van ongeacht welk strafbaar feit is een “criminele intentie” vereist. Dit veronderstelt dat de verdacht “wist” of “ernstige reden had te vermoeden” dat de goederen bestemd waren voor het plegen van strafbare feiten.

De Hoge Raad benadrukt dat het niet ondenkbaar is dat het volledig inrichten van een kweekruimte voor hennep strafbare voorbereiding kan opleveren, maar niet zonder nader bewijs van de “misdadige intentie” van de verdachte. Het is dus onvoldoende dat bepaalde goederen, of een bepaalde situatie naar hun/zijn uiterlijke verschijningsvormen kennelijk wel bedoeld zullen zijn om zekere strafbare feiten te plegen.

Dat er bewijs moet zijn van een “strafbare intentie” is op zich niet nieuw. In de praktijk dreigde deze toets evenwel ondergesneeuwd te raken ten faveure van de in de praktijk veel makkelijkere toets van de “kennelijke strafbare bestemming” van voorbereidingshandelingen. Aan die risico´s op onterechte veroordeling stelt de Hoge Raad nu paal en perk.

De aloude anekdotische “Duck test” ten behoeve van zuiver redeneren bewijst ook hier weer zijn waarde:

If it looks like a duck, swims like a duck, and quacks like a duck, then it probably is a duck.”

Soms zijn de dingen toch niet wat ze lijken en gelukkig ligt de lat voor een strafrechtelijke veroordeling hoger dan de maatstaf in de Duck test. Vanuit het oogpunt van een verdachte zijn dat geruststellende gedachten.