Bronbescherming journalisten definitief wettelijk geregeld: vrijbrief voor de verspreiding van nepnieuws?

Het wetsvoorstel Bronbescherming in Strafzaken, waarover wij eerder schreven, is door de Eerste Kamer aangenomen. Op 1 oktober 2018 wordt een nieuwe bepaling aan het Wetboek van Strafvordering toegevoegd waarin een specifiek verschoningsrecht voor journalisten en publicisten is opgenomen. Ook gelden vanaf dat moment striktere regels voor de toepassing van dwangmiddelen tegen deze nieuwe categorie verschoningsgerechtigden.

Belang van bronbescherming

De wet is bedoeld als erkenning van de vrije nieuwsgaring en van de bijzondere positie van journalisten en publicisten (hierna gezamenlijk aangeduid als “journalisten”) in onze samenleving. Bronnen – waarvan journalisten afhankelijk zijn voor hun publicaties – moeten er op kunnen vertrouwen dat zij informatie kunnen verstrekken zonder dat hun identiteit kenbaar wordt. Het voortdurend actief optreden van een overheid tegen journalisten om hun bronnen te achterhalen, kan tot gevolg hebben dat bronnen geen informatie meer durven te delen. Misstanden waarbij diezelfde overheid, zoals recent ten aanzien van de organisatiecrisis binnen het Openbaar Ministerie, zullen dan niet meer kenbaar worden.

Door de wetswijziging brengt de wetgever tot uitdrukking dat het maatschappelijk belang dat personen zich zonder vrees voor bekendwording van hun identiteit en eventuele vervolging, in principe zwaarder weegt dan het strafvorderlijke belang van waarheidsvinding.

Verschoningsrecht voor journalisten en publicisten

Getuigen in een strafzaak hebben in beginsel een zogenoemde “spreekplicht”. Dit betekent dat zij verplicht zijn om antwoord te geven op vragen. Bij wijze van uitzondering is voor een select groepje getuigen het zogenoemde “verschoningsrecht” van toepassing. Dit geldt bijvoorbeeld voor iemand die uit hoofde van stand, beroep of ambt tot geheimhouding verplicht is.

Aan het Wetboek van Strafvordering wordt artikel 218a Sv toegevoegd waarin een beperkt verschoningsrecht voor journalisten (recht op bronbescherming) is opgenomen. Op grond van deze bepaling mogen journalisten weigeren vragen te beantwoorden met betrekking de herkomst van gegevens die hen zijn verstrekt ter openbaarmaking in het kader van nieuwsgaring.

Zoals eerder beschreven is het recht niet absoluut en kan een rechter-commissaris onder bijzondere omstandigheden het beroep op bronbescherming afwijzen. Een journalist is dan alsnog verplicht vragen te beantwoorden. Blijft de journalist in zo’n geval weigeren vragen te beantwoorden dan kan hij, indien dit in het belang van het onderzoek noodzakelijk wordt geacht, zijn vrijheid worden beroofd (“gijzelen”). Er is geen afgrenzing van delicten waarbij het doorbreken van het recht op bronbescherming aan de orde kan zijn, zodat doorbreking bijvoorbeeld ook mogelijk kan zijn bij ernstige milieumisdrijven of grootschalige fraude.

Strengere regels inzet dwangmiddelen

Ook worden strengere regels van kracht met betrekking tot het gebruik van dwangmiddelen tegen journalisten. Zo is de toestemming van de rechter-commissaris nodig om het kantoor van een journalist te doorzoeken, geschriften onder een journalist in beslag te nemen en voor het opvragen van een journalist zijn telefoongegevens. Hiermee wordt een afweging van de noodzaak op een hoger niveau (rechterlijk oordeel) gerealiseerd, nu voorheen toestemming van een opsporingsambtenaar of officier van justitie voldoende was. Ook zal een doorzoeking niet kunnen plaatsvinden in afwezigheid van een rechter-commissaris. Tot zijn komst kan de situatie ter plekke worden bevroren. Deze strengere regels moeten voorkomen dat recent bekend geworden gevallen waarin het Openbaar Ministerie telefoongegevens van journalisten heeft opgevraagd zich herhalen.

Consequenties

De inwerkintreding van de wet heeft geen wijzigingen tot gevolg omtrent de positie van degene die de informatie aan de journalist verstrekt. Tegen deze achtergrond is de wet enkel van betekenis doordat tegen degene die de gegevens publiceert geen dwangmiddelen mogen worden aangewend om de identiteit van de bron te achterhalen.

De wet betekent voorts geen wijziging van de journalistieke uitgangspunten in die zin dat journalisten niet langer de door bronnen aangedragen informatie dienen te verifiëren of niet op betrouwbaarheid behoeven te toetsen. Zij dienen te (blijven) streven naar waarheidsgetrouwe berichtgeving en blijven verantwoordelijk voor de juistheid daarvan.

De toetsing van die uitgangspunten wordt wellicht bemoeilijkt door de nieuwe wetgeving. Dit kan een nadelig effect hebben in de strijd tegen (de verspreiding van) nepnieuws. De nadelige effecten van dergelijk nieuws mogen niet worden onderschat, aangezien het tot een ontwrichting van de samenleving kan leiden. Daarom is het van belang alert te blijven dat “fake news” geen voet aan de grond krijgt, zo blijkt ook uit het rapport “Digitalisering en nepnieuws” van de ACM en het Commissariaat voor de Media.

Een belangrijke waarborg hiertegen in strafzaken betreft de mogelijkheid dat de rechter-commissaris het beroep op bronbescherming afwijst. Daar komt bij dat de nieuwe regeling primair een wettelijke codificatie is van een al in de rechtspraak erkend recht. Van een vrijbrief voor nepnieuws lijkt dan ook geen sprake.