Real social media icon, faceless person portrait

Kritisch advies ACS over wetsvoorstel bijzondere getuigen trajecten

De Adviescommissie Stafrecht (ACS) van de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA) heeft op 25 januari jl. een advies uitgebracht over een concept-wet van de Minister van Veiligheid en Justitie. Het wetsvoorstel voorziet onder meer in wijzigingen met betrekking tot (de bescherming van) bedreigde getuigen en kroongetuigen, een onderdeel van het strafprocesrecht dat actueler is dan ooit. De Algemene Raad van de NOvA heeft het advies van de ACS overgenomen en ingezonden aan het Ministerie van Veiligheid en Justitie.

De ACS heeft het wetsvoorstel beoordeeld en is van mening dat er verschillende gebreken aan kleven.

Primair adviseert de ACS daarom tot intrekking van het wetsvoorstel voor zover dat ziet op de – kort gezegd – bijzondere getuigen trajecten (onderdeel C, D, G en H). Deze onderdelen dienen te worden opgenomen in het wetgevingstraject met betrekking tot de modernisering van het Wetboek van Strafvordering.

Subsidiair adviseert de ACS het wetsvoorstel als volgt aan te passen:

  • Ondanks talrijke rechterlijke uitspraken en de toezegging van de Minister voorziet het wetsvoorstel niet in een rechterlijke toetsing van de getuigenbeschermingsafspraken. Hier dient alsnog in te worden voorzien.
  • Het is onduidelijk welke rechter-commissaris (Amsterdam of Rotterdam) wanneer bevoegd is. De ACS acht het wenselijk dat de Minister nader uiteenzet of en, zo ja, hoe en waarom de relatieve bevoegdheid tussen de rechters-commissarissen van de Rechtbank Amsterdam en de Rechtbank Rotterdam is geregeld.
  • Het wetsvoorstel moet worden aangevuld met een bepaling als gevolg waarvan een (criminele) burgerinfiltrant niet kan worden ingezet dan na voorafgaande machtiging door de rechter-commissaris.
  • In de voorgestelde wijziging van art. 126aa dient expliciet te worden opgenomen dat alleen van zelfs het melden van de inzet van BOB-bevoegdheden kan worden afgezien indien met deze bevoegdheden “geen relevante onderzoeksresultaten” zijn verkregen. Voorts is het toepassingsbereik van deze wijziging veel te ruim geformuleerd en dient deze te worden beperkt.
  • De voorgestelde wijziging van art. 126bb heeft als gevolg dat de inzet van bepaalde BOBbevoegdheden permanent van een notificatieplicht wordt uitgezonderd, ook in situaties waar er inmiddels geen enkel belang meer is om van notificatie af te zien. Mede gelet op de verstrekkende inbreuk op de privacy die de inzet van deze bevoegdheden heeft acht de ACS dat onacceptabel.
  • De in het voorgestelde art. 226l, lid 4 opgenomen bepaling dat geldende wettelijke voorschriften buiten werking blijven voor zover deze in de weg staan aan de medewerking aan getuigenbeschermingsmaatregelen dient te worden geschrapt. Een dergelijke ongeclausuleerde bevoegdheid waarmee de wet categorisch buiten werking wordt gesteld acht de ACS wetssystematisch onmogelijk en los daarvan ongepast en onacceptabel, mede gelet op de consequenties die een dergelijke bepaling heeft voor, bijvoorbeeld, de positie van verschoningsgerechtigden zoals artsen, advocaten, geestelijken en notarissen.

De ACS heeft als opdracht om de Algemene Raad van de NOvA gevraagd en ongevraagd te adviseren op het gebied van strafrechtelijke wet- en regelgeving. Han Jahae en Thom Dieben, beide advocaat bij JahaeRaymakers, zijn lid van de ACS.

Klik hier om het hele advies van de ACS te downloaden.

iStock_000019700993_Medium

Bijdrage cassatieblog VCAS Thom Dieben

Op de website van de Nederlandse Vereniging van Cassatieadvocaten in Strafzaken (VCAS) wordt een blog bijgehouden over recente ontwikkelingen die van belang zijn voor de cassatieadvocaat. Het blog staat onder redactie van een aantal leden en aspirant-leden van de VCAS, te weten Jacqueline Kuijper (die ook de eindredactie verzorgt), Dian Brouwer, Gwen Jansen, Thom Dieben, Simon van der Woude en Sander van ’t Hullenaar.

Op 27 januari jl. verscheen op dit blog een bijdrage van Thom Dieben getiteld “Art. 80a RO: Met recht heeft het (af en toe) niets te maken“. In deze bijdrage gaat Thom in op recente rechtspraak van de Hoge Raad over art. 80a RO. Op grond van dit artikel kan de Hoge Raad een cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaren omdat er klaarblijkelijk onvoldoende belang is óf omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. Met name op het gebied van deze eerste categorie (onvoldoende belang) is de rechtspraak van de Hoge Raad volop in beweging. Thom is van mening dat dit enerzijds tot gevolg heeft dat de cassatieadvocaat met (nieuwe) praktische dilemma’s wordt geconfronteerd. Anderzijds is met deze rechtspraak een zorgwekkende lijn ingezet op het gebied van de mensenrechtenbescherming in strafzaken.

Klik hier voor de volledige bijdrage van Thom aan het VCAS cassatieblog.

“Wwft in de praktijk” – 11 februari 2016

Kunt u het risicobeleid en risicoprofielen binnen uw organisatie implementeren en controleren? De Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme vraagt van u een actieve en oplettende houding ongeacht of u als zelfstandig professional werkt of als u werkzaam bent binnen een groter samenwerkingsverband.

Op 11 februari 2016 geeft Jurjan Geertsma de cursus “Wwft in de praktijk”. Tijdens deze studiemiddag worden kort de belangrijkste wettelijke verplichtingen opgefrist, worden jurisprudentie en ontwikkelingen ten aanzien van witwassen en typologieën besproken, worden praktische handvatten gegeven voor implementatie en monitoring en is ruimschoots gelegenheid voor vragen en casuïstiek.

In de cursus zal ook de Vierde Anti-Witwasrichtlijn en de gevolgen daarvan voor praktische uitvoering van de WWFT aan de orde worden gesteld. De casuïstische benadering biedt u direct houvast voor uw praktijk. Daarbij wordt u de mogelijkheid geboden om eigen casusposities tevoren in te sturen, die – afhankelijk van het aantal ingezonden casus – tijdens de dag worden behandeld.

Kortom, een praktisch cursus met ruimte voor vragen en discussie. Meer informatie vindt u hier.

dsf

Afscheidsseminar Prof. Taru Spronken: “onze” Advocaat(-Generaal)

Prof. Taru Spronken maakte in 2013 de overstap van strafrechtadvocaat naar Advocaat-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden. Ter ere van haar afscheid van de strafrechtadvocatuur werd op 18 december jl. in Maastricht een symposium gehouden op de Rechtenfaculteit van de Universiteit Maastricht. Dit symposium werd georganiseerd door de Nederlandse Vereniging van Strafrecht Advocaten (NVSA), de Universiteit Maastricht en JahaeRaymakers, het kantoor waar Prof. Spronken als laatste werkzaam was voor haar overstap naar de Hoge Raad.

Thema van het symposium was de strafrechtadvocatuur anno 2030. Diverse sprekers gaven hun visie op de toekomst van de strafrechtadvocatuur. Zo sprak mr. J.W. Fokkens, Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden over onder meer de toekomst van het verschoningsrecht en de rol van de advocatuur in de cassatiefase, schetste mr. B.E.P. Myjer, voormalig rechter bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), zijn visie op de toekomst van de Straatsburgse rechtspraak en de verdedigingsrechten en filosofeerde mr. B. Nooitgedacht, voorzitter van de NVSA, over de rol van religie in het strafrecht en het recht op verhoorsbijstand van verdachten.

De tweede helft van het symposium bestond uit een debat met de zaal naar aanleiding van stellingen die werden verdedigd door vier jonge advocaten, waaronder Thom Dieben en Marleen van Beckhoven, die allen mede door Prof. Spronken zijn opgeleid aan de Universiteit Maastricht.

Na afloop van het symposium werd aan Prof. Spronken als verrassing het liber amicorum ‘Advocaat(-Generaal)’ aangeboden waarvan de redactie werd gevormd door Han Jahae, Thom Dieben en Petra van Kampen. In ‘Advocaat(-Generaal)’  komen niet alleen Prof. Spronken’s kenmerken als strafrechtadvocaat naar voren, maar wordt het hele spectrum van haar werk belicht. Diverse bijdragen vanuit de advocatuur, de wetenschap en de rechterlijke macht geven een inkijk in zowel haar professionele als persoonlijke kwaliteiten en voornamelijk de onlosmakelijke verbondenheid tussen beide.

iStock_000002409033_Small

EHRM communiceert zaak tegen Nederland over Bezoek Zonder Toezicht (BZT)

Op 2 november jl. heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) besloten om een tegen Nederland ingediende klacht te communiceren aan de Nederlandse regering.

De klacht stelt dat Nederland art. 8 EVRM (recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en het familie- en gezinsleven) in verbinding met art. 14 EVRM (verbod op discriminatie) heeft geschonden. De klagers in deze zaak waren in verband met een strafzaak in voorlopige hechtenis genomen. Na enkele maanden verzochten zij om zogenaamd ‘Bezoek Zonder Toezicht’ (BZT) van hun partners. Dat verzoek werd afgewezen omdat voor voorlopiggehechten de mogelijkheid voor BZT niet bestaat. Personen die al definitief veroordeeld waren hadden echter wel recht op BZT. Klagers meenden dat dit onderscheid op verboden discriminatie neerkomt. Zij hebben daarom bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van hun verzoek om BZT. Dit bezwaar is op 8 augustus 2014 definitief verworpen door de Raad voor de Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) (zaken 14/1062/GA en 14/1038/GA). Klagers hebben hun klacht vervolgens voorgelegd aan het EHRM.

Door de zaak te communiceren wordt de Nederlandse regering door het EHRM in de gelegenheid gesteld te reageren op de klacht. Het EHRM zal na deze schriftelijke uitwisseling van standpunten besluiten of de klacht gegrond is.

De klagers in deze zaak worden bijgestaan door Thom Dieben, advocaat bij JahaeRaymakers, en Jacqueline Kuijper. De communicatiebeslissing van het EHRM [in het Engels] is hier te downloaden.

Vacature: advocaat ondernemingsstrafrecht (m/v)

iStock_000021886849_Medium 

JahaeRaymakers heeft op korte termijn plaats voor een gevorderd stagiaire / beginnend medewerker met aantoonbare affiniteit met en ervaring in het op ondernemingen en bestuurders gerichte straf- en sanctierecht. Geïnteresseerden worden uitgenodigd een motivatiebrief met CV te richten aan mr. Th.O.M. Dieben via dieben@jahae.nl .

Update 05/01/2016: De vacature is inmiddels gesloten.

 

Grand Chamber HearingAudience de Grande Chambre

EHRM communiceert zaak over afwijzing door Hoge Raad van verzoek verdediging om prejudiciële vragen

Op 22 september jl. heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) besloten om een tegen Nederland ingediende klacht te communiceren aan de Nederlandse regering. De klacht stelt dat Nederland art. 6 EVRM heeft geschonden, welk artikel onder meer het recht op een eerlijk proces en het recht op toegang tot een onafhankelijke rechter garandeert. De Hoge Raad had namelijk een verzoek van de verdediging afgewezen om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) over de uitleg van Richtlijn 2002/90/EG van 28 November 2002 van 28 november 2002 tot omschrijving van hulpverlening bij illegale binnenkomst, illegale doortocht en illegaal verblijf. De Hoge Raad had de afwijzing van dit verzoek in het geheel niet gemotiveerd laat staan dat het was ingegaan op de zogenaamde ‘Cilfit-criteria’. In het Cilfit-arrest heeft het HvJ EU bepaald dat de hoogste nationale rechter verplicht is prejudiciële vragen te stellen over de uitleg van het EU recht tenzij 1) deze uitleg evident irrelevant is voor de zaak; 2) deze uitleg evident is (acte clair); of 3) deze uitleg reeds is gegeven door het HvJ EU (acte éclairé). Volgens vaste rechtspraak van het EHRM leidt het (ongemotiveerd) afwijzen van een verzoek om prejudiciële vragen te stellen zonder dat toepassing wordt geven aan de Cilfit-criteria tot een schending van art. 6 EVRM.

Door de zaak te communiceren wordt de Nederlandse regering door het EHRM in de gelegenheid gesteld te reageren op de klacht. Het EHRM zal na deze schriftelijke uitwisseling van standpunten besluiten of de klacht gegrond is.

De klager in deze zaak wordt bijgestaan door Thom Dieben, advocaat bij JahaeRaymakers, en Gwen Jansen. De communicatiebeslissing van het EHRM [in het Engels] is hier te downloaden.

Guilty man and policewoman

AG: Hoge Raad moet prejudiciële vragen stellen over recht op advocaat bij politieverhoor

De Hoge Raad moet prejudiciële vragen stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) over de omstreden kwestie of een verdachte aan artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) het recht op een advocaat tijdens een politieverhoor kan ontlenen. Dat schrijft Advocaat-Generaal Knigge in een gisteren uitgebracht advies aan de Hoge Raad. De Hoge Raad oordeelde in april van 2014 (ECLI:NL:HR:2014:770) dat Nederland (en andere EU-staten) tot 27 november 2016 de tijd hebben om te regelen dat een advocaat aanwezig kan zijn bij politieverhoren. Volgens AG Knigge moet nu aan het HvJ EU worden gevraagd of aan art. 6 EVRM een direct geldend recht op een advocaat tijdens het verhoor kan worden ontleend. AG Knigge volgt daarmee het verzoek van de verdediging in deze zaak. Een conclusie van de advocaat-generaal is een onafhankelijk advies aan de Hoge Raad, die vrij is dat te volgen of niet. De Hoge Raad verwacht op 22 december 2015 uitspraak in deze zaak te doen.

Thom Dieben, advocaat bij JahaeRaymakers, en Gwen Jansen treden als advocaten van de verdachte op in deze zaak.

De volledige conclusie van AG Knigge (ECLI:NL:PHR:2015:1996) is gepubliceerd op de website van de Hoge Raad. De door Thom Dieben en Gwen Jansen ingediende cassatieschriftuur kan hier worden gedownload.

Police car in the street of Barcelona, Spain

Rechtbank Amsterdam wijst verzoek ‘Europees Toezichtsbevel’ toe

De Rechtbank Amsterdam heeft op 24 september jl. een verzoek toegewezen om de officier van justitie de opdracht te geven een zogenaamd ‘Europees toezichtsbevel’ uit te vaardigen.

Het verzoek was ingediend door Han Jahae en Joost van Bree, beide advocaat bij JahaeRaymakers, die een Nederlandse zakenman bijstaan die door het Openbaar Ministerie wordt verdacht van betrokkenheid bij een beleggingsfraude. De voorlopige hechtenis van deze verdachte was eerder door de Rechtbank Amsterdam onder voorwaarden geschorst. Een van deze voorwaarden was dat de verdachte zich iedere drie maanden diende te melden op het dichtst bij zijn adres gelegen politiebureau. Aangezien de verdachte inmiddels was verhuisd naar Spanje vond de verdediging dat hij zich voortaan bij de Spaanse politie moest kunnen melden. Volgens de verdediging bood een recent door Nederland geïmplementeerd kaderbesluit van de Europese Unie (Kaderbesluit 2009/829/JBZ van 23 oktober 2009 inzake de toepassing, tussen de lidstaten van de Europese Unie, van het beginsel van wederzijdse erkenning op beslissingen inzake toezichtmaatregelen als alternatief voor voorlopige hechtenis) hier een geschikte rechtsbasis voor. Het OM was het daar niet mee eens. Het OM vond dat een dergelijk verzoek niet gedaan moest worden aan de rechtbank maar aan de officier van justitie. Verder vond het OM dat – mocht de rechtbank daar anders over denken – het verzoek om inhoudelijke redenen moest worden afgewezen.

De Rechtbank Amsterdam verwierp beide bezwaren en wees het verzoek van de verdediging toe (ECLI:NL:RBAMS:2015:6386). De volledige beslissing van de rechtbank is hier te lezen.

Internet espionage

Kritisch advies ACS over inzet IMSI-catcher door FIOD

De Adviescommissie Stafrecht (ACS) van de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA) heeft op 11 september jl. een advies uitgebracht over een concept-besluit voorgesteld door de Minister van Economische Zaken. Het besluit heeft – kort gezegd – als doel om de FIOD de bevoegdheid te geven zelfstandig een zogenaamde IMSI-catcher in te zetten. De Algemene Raad van de NOvA heeft het advies van de ACS overgenomen en ingezonden aan het Ministerie van Economische Zaken.

De ACS heeft het concept-besluit beoordeeld en is van mening dat er verschillende gebreken aan kleven. Samengevat komt het oordeel van de ACS er op neer dat:

  • De noodzaak om de FIOD een zelfstandige bevoegdheid te geven om een IMSI-catcher in te zetten onvoldoende wordt onderbouwd;
  • Het concept-besluit maakt mogelijk dat de FIOD onder omstandigheden zonder toestemming van een officier van justitie gebruik maakt van een IMSI-catcher. Dat staat haaks op de jurisprudentie van de Hoge Raad en de vereisten die voortvloeien uit art. 8 EVRM (recht op privacy). Bovendien leidt dit tot een ongelijke behandeling van de FIOD en, bijvoorbeeld, de Nationale Politie. Aan het concept-Besluit moet om die reden een bepaling worden toegevoegd dat nimmer (noch door de Nationale Politie noch de FIOD) gebruik kan worden gemaakt van een IMSI-catcher zonder voorafgaande toestemming van de officier van justitie;
  • De noodzaak om de directeur van de FIOD als ‘bevoegde autoriteit’ aan te wijzen (art. 1, onderdeel c, onder 4) wordt onvoldoende onderbouwd. Bovendien leidt die aanwijzing er toe dat
    • een aan de inzet van een IMSI-catcher gerelateerde bevoegdheid (te weten verkrijging van het telefoonnummer bij de betreffende telecomaanbieder) wordt weggehaald bij de officier van justitie.
    • de FIOD en, bijvoorbeeld, de Nationale Politie niet gelijk worden behandeld;

De ACS heeft als opdracht om de Algemene Raad van de NOvA gevraagd en ongevraagd te adviseren op het gebied van strafrechtelijke wet- en regelgeving. Han Jahae en Thom Dieben, beide advocaat bij JahaeRaymakers, zijn lid van de ACS.

Klik hier om het hele advies van de ACS te downloaden.